(Door Mariecke, 16-11-22)

Op zondag 20 november, eeuwigheidszondag, herdenken we de overledenen. Ik denk dan altijd aan het herdenken van mevrouw Prins.

Mevrouw Prins (niet haar echte naam) was de mevrouw bij wie ik, toen ik nog student was, als thuiszorgmedewerker eenmaal per week kwam schoonmaken. Zij woonde op zichzelf in een klein appartement hier in de stad. De vorige thuiszorgmedewerker, Evelien, was met haar vriend naar Australië verhuisd. Die verandering viel mevrouw Prins zwaar, want ze kreeg maar weinig mensen over de vloer en was erg op Evelien gesteld geweest. Ik deed mijn best om haar zo goed mogelijk te vervangen wanneer ik, iedere dinsdag, de drie stofpluisjes van de vensterbank kwam vegen en een borstel door de wc haalde. Altijd net iets anders dan Evelien het had gedaan.

Mevrouw Prins keek op zondagochtend graag naar dominee Arie van der Veer van Nederland Zingt. Ze was bezorgd of ze dat als rooms-katholiek wel mocht, en hoewel ik haar meerdere keren vertelde dat ze zich daar geen zorgen over hoefde te maken, deed ze voor de zekerheid de gordijnen altijd even dicht.

Dat katholiek zijn, daar merkte ik verder niet zoveel van. Tot ik een keer op Allerzielen binnenkwam en zij op het dressoir een kaarsje had neergezet bij de foto van haar overleden man. Ik zag meteen een kans om onze band te verdiepen en misschien het gemis van Evelien wat te laten vervagen. Ik vroeg haar hoe lang het geleden was dat haar man was overleden. Dat was nu al wel zo’n zeventien jaar terug, vertelde ze. “U zult hem wel missen”, knikte ik meelevend. “Helemaal niet”, antwoordde ze, “het was een ploert.” Uit de verhalen die daarna volgden begreep ik dat meneer Prins eigenlijk blij mocht zijn dat zij nog de moeite nam om een kaarsje te branden.

Dat katholiek zijn bleef me wel interesseren, want ik kende niet zoveel katholieken. Mevrouw Prins vertelde dat ze bij de nonnen op school was geweest en het vreselijk had gevonden. Haar moeder was alleenstaand geweest en als meisje zonder vader werd je door de nonnen niet echt gezien. Andere meisjes werden weleens verkozen tot Maria-kind, vertelde ze. Dan kreeg je een blauw satijnen lint om je nek met daaraan een zilveren medaillon. Die eer viel haar nooit te beurt.

Een paar maanden na dit gesprek moest mevrouw Prins een spannende operatie ondergaan. Om haar te steunen besloot ik zo’n Maria-medaillon te maken. Ik ontdekte bij het uitvoeren van dat project nieuwe plekken in de stad die ik nog niet kende: Ria’s Fournituren, bijvoorbeeld, waar ik lint en garen kocht, en een tweedehands reliwinkel aan de Vleutenseweg waar ze weliswaar geen Mariamedaillons hadden, maar wel een zilveren hanger van de Heilige Antonius, dat leek me ook wel goed.

Zoiets wordt natuurlijk nooit wat je je ervan hebt voorgesteld, zeker niet als je zelf nauwelijks een knoop kunt aanzetten. Het was maar een raar, rafelig geval, met een veel te breed lint voor een veel te klein hangertje. Maar mevrouw Prins was er verguld mee. Toen ik na de operatie weer langskwam was ik blij om te horen dat alles goed was gegaan. Misschien wel dankzij Maria/Antonius, bedachten we, want die had ze mogen omhouden toen ze onder het mes ging.

Mevrouw Prins leeft niet meer. Maar wanneer ik herdenk, denk ik vaak aan dat moment op Allerzielen. Aan levens die verdriet, angst, eenzaamheid, uitsluiting en bitterheid kennen. En dat iemand dan toch een kaars aansteekt. En dat dat dan anderen raakt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *